Aimé Antheunis over verleden en toekomst

Bondscoach Aimé Antheunis zakte naar ’t Nieuwscafé in Sint-Truiden af als gast van de Ontbijtclub. Armand Schreurs schotelde hem een aantal prangende vragen voor. Het relaas van een geanimeerd gesprek.


U was trainer bij een aantal kleine en grote clubs. Bestaat er zoiets als een bevoordeling, zoals onder meer Roland Duchâtelet onlangs opmerkte?


“Vroeger gebeurde dat wel eens. Ik herinner mij nog een aantal wedstrijden uit mijn beginperiode als trainer bij Lokeren. In die tijd hadden Constant Vanden Stock en Roger Petit veel invloed. Als kleine club speelde je tegen een overmacht. De grote clubs hadden meer geld en meer mogelijkheden, en meestal hadden ze de scheidsrechter ook nog mee. De tijden zijn gelukkig enorm veranderd. De scheidsrechters worden veel minder beïnvloed van bovenuit. De situatie is in tien jaar enorm veranderd. Meneer Duchâtelet merkt onder meer op dat de topclubs veel meer strafschoppen krijgen in een seizoen. Dat heeft echter te maken met het feit dat ze drie kwart van de wedstrijd op de helft van de tegenstander spelen. Zij komen dus veel meer in de zestien. De scheidsrechters hebben ook niet gemakkelijk. Er rust zoveel druk op hun schouders. Gumienny geeft een strafschop en ze maken hem met de grond gelijk. Dat vind ik straf. De scheidsrechters moeten hun werk kunnen doen en het zijn ook maar mensen.”


Wie bepaalt eigenlijk de rangorde van de scheidsrechters? Kwatongen beweren dat de grote clubs daar een zeg in hebben?


“Die rangorde wordt nu door de scheidsrechterscommissie bepaalt. Dat is een goede zaak. Je hoort mij niet zeggen dat bepaalde scheidsrechters een beschermheer of een piston hebben in die commissie. Maar je hebt soms wel iemand nodig om de top te kunnen halen. Een kennis van mij is scheidsrechter. Hij komt niet in de top omdat hij te weinig steun krijgt.”


Zou het niet beter zijn om technische hulpmiddelen te gebruiken. Als de vierde scheidsrechter een monitor heeft kan hij zien of het buitenspel was en of een strafschop terecht is.


“Daar zou ik niet mee beginnen. Dat zou veel dode spelfases opleveren. Een beeld kan ook bedriegen. Het hangt er vanaf vanuit welke hoek een fase gefilmd is. Ik vind het goed dat men hulpmiddelen gebruikt om aan te tonen of een bal over de doellijn is of niet, maar daar moet het stoppen.”


In de wedstrijd tussen Racing Genk en het Bulgaarse Litex Lovech deelde Soley Seyfo na één minuut een elleboogstoot uit. De scheidsrechter had niets gezien, de tv-kijker wel. De vierde official zou de scheidsrechter daar attent op kunnen maken.


“Daar ben ik geen voorstander van. Ik zou die speler wel achteraf bestraffen. In Nederland zou Seyfo vier wedstrijden aan zijn been hebben. Bij ons tellen die videobeelden niet. In een wedstrijd op een actie terugkomen is moeilijk. Dan wordt het helemaal onmogelijk voor de scheidsrechter. Betwistingen maken deel uit van het voetbal, dat heeft een zekere charme. Op het einde van de rit compenseert het ene het andere.” 


Op 1 januari bent u niet langer bondscoach. Uw contract liep tot juni 2006. Was u kandidaat om na juni door te gaan?


“Neen. Ik vond het niet opportuun om een kandidatuur in te dienen voor na juni 2006. Iemand heeft dat na een vergadering verteld aan de pers. Maar dat was niet juist. Er zijn nu eenmaal mensen die na een vergadering graag hun zegje doen. Dat is in het voetbal zo, en dat is in het bedrijfsleven of in de politiek zo.”


Hoe evalueert u de WK-campagne van de Rode Duivels? 


“In de voorbereiding speelden we gelijk tegen Nederland en ook in Noorwegen werd het een draw. Ik dacht dat we er klaar voor waren. Dat we tegen Litouwen mochten starten in Charleroi, voor een warm publiek, zagen we vooraf ook als een voordeel. Maar toen kregen we met een aantal tegenslagen te maken. Er waren een aantal spelers geblesseerd en Sonck zat op de bank bij Ajax. Sonck was toch de topscorer in de EK-campagne. Er waren nog bankzitters: Buffel bij Feyenoord, Vandenbergh bij Genk, Pieroni bij Auxerre, en ook Roussel vond zijn draai niet in Kazachstan. Mbo Mpenza was bovendien volledig uit vorm. Emile Mpenza miste vier-vijf interlands, ook omdat hij even niet voor de nationale ploeg wou uitkomen. Men zei dat ik spelers opstelde die niet speelden bij hun club. Die mensen noemden wel geen namen van wie wel in de spits moest staan, want die waren er niet. Er was ook nog het doelwachtersprobleem. Dat zijn allemaal zaken die in ons nadeel speelden. Ik wil mij echter niet wegsteken achter die blessures, de spelers die uit vorm waren en die rode kaarten. Ook als die spelers beschikbaar waren, zouden we te kort gekomen zijn. Of wij in staat zijn om echt te wedijveren met Spanje en Servië-Montenegro, daar heb ik grote twijfels over.”


De Rode Duivels tikten Spanje in de eerste helft heerlijk weg. Er was druk naar voor en veel sportieve agressie. De wil was groot. Misten ze dat niet een beetje in de andere interlands?


“Veel mensen brengen dat samen onder de noemer betrokkenheid. Ik ben het daar niet mee eens, want ik ben er van overtuigd dat mijn spelers er altijd voor gegaan zijn. Tegen Spanje namen we een uitstekende start. De bal ging goed rond en we konden snel uitbreken via de twee Mpenza’s. Daar hadden we vooraf op getraind. Dat lukte het eerste half uur wonderwel. Daarna woog de technische surplus van de Spanjaarden door. Die inzet was er ook op verplaatsing tegen Bosnië-Herzegovina, maar daar werden we vanaf de eerste minuut gepakt op duelkracht, snelheid en techniek. Zij waren gewoon beter.”


De anciens lieten u ook wat in de steek. Bart Goor en Eric Deflandre pakten een domme rode kaart.


“Ik wil die zaken niet goedpraten, maar de mensen zien alleen wat er op het veld te beleven valt. In Spanje zijn er voor de wedstrijd toch een aantal zaken gebeurt die voor vurige gemoederen zorgden. Die dingen gebeurden wellicht omdat wij maar een klein land zijn. De Deense scheidsrechter Nielsen maandde de spelers aan om alle kettingen en ringen uit de doen. Twee spelers kregen hun trouwring niet uit en Nielsen dreigde met rode kaarten. Het ging er hard aan toe. Het scheelde niet veel of we mochten maar met negen spelers aan de aftrap komen. Even later kwamen de Spanjaarden uit de kleedkamer. De scheidsrechter begroette ze vriendelijk en zij mochten zonder controle door. Dat zijn zaken die niet logisch zijn.”


Heeft deze generatie het niet te gemakkelijk? Vincent Kompany wordt wel eens gemakzucht verweten.


“Vincent Kompany is een halve Kongolees. Zijn houding komt soms anders over, maar je mag Kompany geen gemakzucht aanrekenen. Kompany is nog jong en zijn kop staat al meer dan twee jaar elke dag in de kranten. Hij gaat daar heel goed mee om. Ik heb hem onlangs nog gesproken over zijn toekomstplannen. Hij weet dat hij eind dit seizoen weg moet. Hij moet naar een topclub waar hij één van de 25 spelers, én waar hij kans maakt om in de elf te geraken. Nu is hij echter Vincent Kompany. Hij steekt er bovenuit. Als hij in België blijft, kan hij op één been overeind blijven. Met twee-drie acties van wereldklasse zou hij de supporters op zijn hand hebben. Maar dan speelt hij niet voor de trainer maar voor zichzelf. Als hij werkelijk vooruitgang wil maken, moet hij weg op het einde van het seizoen. Kompany is zich daarvan bewust en dat is positief.”


Bij de discussie over uw opvolging komt communautaire strijd kijken. Hebt u veel van die tweestrijd gemerkt als bondscoach?


“Het grote voordeel is dat ik geen 35 jaar ben. Ik ben van niemand afhankelijk, dus ik moet echt niet naar iemand kijken. Het is bovendien al moeilijk genoeg om een goede ploeg in België te vormen. Laat staan dat je dan gaat kijken naar het aantal Vlamingen of Walen. Ik heb in mijn carrière weinig gemerkt van een communautaire strijd. Ik denk nog altijd graag terug aan mijn periode bij Charleroi. Dat was een enorme verrijking. Het gaat er veel warmer aan toe. Ze kijken even de kat uit de boom, maar eens je aanvaard bent, ben je één van hen. Zij hebben liever Vlamingen dan Luikenaars, dat zijn voor hen dikke nekken. Ook op Anderlecht waren er weinig communautaire problemen, ook niet in de media. Het grootste probleem bij Anderlecht was de strijd tussen de Persgroep (Het Laatste Nieuws) en de VUM (Het Nieuwsblad). Als één van die kranten nieuws had wat de andere niet had dan zwaaide er wat. De Waalse pers zat er veel minder op. Mijn opvolging dreigt nu wel een communautair tintje te krijgen. De Waalse pers schoof Marc Wilmots naar voor gebracht en de Vlaamse pers duwt een Vlaamse kandidaat naar voor.”


“Ik spreek mij niet uit voor Marc Wilmots of René Vandereycken. De beslissing ligt in handen van de bond.  Misschien stelt men een buitenlander aan. Morten Olsen zou aanvaardbaar zijn voor beide taalgroepen. Hij woont in België, hij heeft bij Cercle Brugge en Anderlecht gespeeld, en hij heeft voldoende bewezen als trainer en als speler. De vraag is of Olsen betaalbaar is. Olsen was trainer in Duitsland en daar liggen de lonen drie tot vier keer hoger, minimum. Olsen is nu trainer van de Deense nationale ploeg. Misschien wil hij meer thuis zijn in België, en stelt hij zijn loonverwachtingen wat bij.”


“Ik hoor vaak zeggen dat Marc Wilmots geen ervaring heeft. Een nadeel kan ook een voordeel zijn. Kijk naar Marco van Basten en Jurgen Klinsmann. Zij doen het uitsteken. Wilmots is jong en was een drijvende kracht bij de Rode Duivels. René Vandereycken heeft dan weer meer ervaring.”


René Vandereycken heeft nog een rechtszaak tegen Anderlecht lopen. Roger Vanden Stock wil bondsvoorzitter worden. Speelt dat niet in zijn nadeel?


“Roger Vanden Stock gaat daar geen punt van maken. Als hij voelt dat Vandereycken de kandidaat is voor zijn medebestuurders, dan zal hij geen tegenwind geven.”


U hebt er al meermaals op aangedrongen dat de jeugdspelers meer kansen moeten krijgen. Daar wordt veel over gepraat, maar daar blijft het ook bij. Komt het er nog ooit van?


“Ik hoop van wel maar ik vrees dat het nog niet voor eerstdaags is. Ik heb onlangs op een vergadering nog maar eens voorgesteld om de regels te wijzigen. De bond kan de clubs opleggen om zes Belgische spelers op de wedstrijdfiche te plaatsen, dus bij de achttien. Dat kan op nationaal vlak, zonder enig probleem. Toen ik dat aanhaalde werd het een halve minuut stil en daarna ging men verder met een ander punt.”


“De politiek van de voetbalbond en de Profliga bestaat erin om te spreken in functie van de plaats in het klassement. Ik herinner me dat Racing Genk een keer aanhaalde dat ze te groot werden en dat er een BeNe-liga moest komen. Even later bengelden ze onderaan in het klassement en tweede klasse dreigde. Die discussie was toen niet meer aan de orde. Ik noem nu maar een voorbeeld, maar zo gaat het dikwijls. Er wordt te weinig aan het algemeen belang gedacht.”


Met welk gevoel kijk je terug op het verleden? Wat heeft het voetbal voor jou tot nu toe opgebracht?


“Er zijn veel positieve momenten en gelukkig maar een paar minder prettige. Ik ben slechts één keer ontslagen geworden. Dat was bij Waregem en toen hadden we de titel net veroverd. Ik heb vooral genoten van de contacten met de mensen en de verschillende culturen. Iedereen weet dat ik graag met donkere spelers werk. Zij hebben dikwijls dat tikje meer: iets sneller, beweeglijker, speelser. Dat is in alles zo: muziek, atletiek, kunst. Het is een rijkdom om met al die verschillende nationaliteiten te mogen werken.”


Wie zijn de drie interessantste mensen die je in het voetbal bent tegengekomen.


“Oei, ik kies drie voorzitters, dan blijf je in één groep. Constant Vanden Stock, inmiddels 91 jaar. Dat is een man waar je goede gesprekken mee kan hebben, niet alleen over voetbal. Hij heeft ook zijn strepen in de commerce verdiend. Hij is begonnen met een kleine brouwerij. Een tweede persoon is Remy Fagard, ex-voorzitter van Racing Genk. Hij was wellicht slimmer dan heel het provinciebestuur samen. Een heel joviale man. Hij kon een club leiden, van de kuisvrouw tot de top. Fagard zei altijd dat hij er niets van wist, maar hij wist alles. Hij was enorm gedreven en had de kwaliteiten op provinciegouverneur te worden. De derde persoon is Gaston Keppens, ex-voorzitter van Sporting Lokeren. Dat was een voorzitter voor Real Madrid. Belezen en beschreven.”


Noem toch ook maar je lievelingsspelers?


“Dat is moeilijk. Het rijtje van spelers waar ik mee gewerkt heb, is bijzonder lang. Voetbaltechnisch sprong Lubanski (Lokeren) er bovenuit en hij bleef er heel bescheiden bij. De ploeg van Racing Genk in zijn geheel was ook top. Tactisch waren we tien jaar vooruit, maar niet iedereen besefte dat toen. Wij kregen te horen dat we ouderwets speelden. Goethals zei dat we met vijf achterin speelden, maar hij vergat erbij te zeggen dat onze backs, Davy Oyen en Jacky Peeters, vijfenzeventig keer de achterlijn haalden. Na Oyen en Peeters kwamen Reini en Hendrickx. Een mooi voorbeeld was de bekerfinale tegen Club Brugge. Genk won met 4-0. Oyen leverde de assist van het laatste doelpunt af en Peeters werkte knap af.” 


Wat komt er na jouw mandaat als bondscoach?


“Thuis zitten is niets voor mij. Ofwel word ik zot, ofwel mijn vrouw (lacht). Ik wil in het voetbal blijven. We zien wel. Technisch directeur zie ik ook zitten. Bij veel clubs zijn die posities echter bezet. Er moeten ook genoeg middelen beschikbaar zijn. Als je met de bakker en beenhouwer moet ruzieën over futiliteiten kan je niet werken.”


Met dank aan ’t Nieuwscafé St-Truiden.


(Nota bene: Dit gesprek had enkele uren voor de vergadering van het Uitvoerend Comité, waarop beslist werd dat Antheunis na 31 december bondscoach af is, plaats.)

Categorieën
Specials & Video

Antwoord

*

*

GERELATEERD