Walter Meeuws: “Bond moet korter op de bal spelen”

Het voetbal in het Midden-Oosten en in Afrika is voor de meesten onder ons een ver-van-mijn-bed-show. Walter Meeuws wilde er het fijne van weten en ging in op aanbiedingen uit Marokko en Qatar. De Gierlenaar keerde een jaar geleden terug uit de oliestaat Qatar, met een koffer vol amusante verhalen. Eén zaak is zeker: Afrika en het Midden-Oosten zijn niets voor de regelneven onder het trainerscorps.


 


Ruim een jaar geleden, begin december 2003, kreeg je bij Al-Ittihad plots te horen dat je je koffers mocht pakken. Heeft de club je in die tijd al meer uitleg gegeven waarom dit gebeurde?


 


“Neen. In het begin hoopte ik misschien toch enige uitleg te krijgen, maar die hoop heb ik al gauw laten varen. In die landen is het de normaalste zaak van de wereld dat ze je van het ene moment op het andere aan de deur zetten. Een trainer is in een land als Qatar een speelbal. Ik ben er drie maanden trainer geweest, maar eigenlijk moet je dat omrekenen in een jaar of anderhalf jaar. De resultaten waren goed. In zeven oefenmatchen en zeven competitiewedstrijden verloren we slechts één keer, maar dat was dus blijkbaar niet voldoende. Mijn grootste probleem lag bij de buitenlandse spelers. De sjeik had vier spelers uit Europa gehaald en verwachtte veel van die mannen. Hij vond dat die gasten moesten spelen. Maar ze konden het verschil niet maken. Dat speelde in mijn nadeel, want de sjeik verwachtte natuurlijk dat ik ze wel opstelde. Dat ze de kansen niet afmaakten of niet uitblonken, was niet hun fout, maar wel die van de trainer. Het waren nochtans geen onervaren jongens: Diawarra speelde bij Paris Saint-Germain en Marseille, Belmadi bij Manchester United, Ndiefi bij Sedan en Amaral bij Parma, Fiorentina en Benfica.”


 


Kan een ploeg als Al-Ittihad mee in onze competitie?


 


“Je mag het niveau zeker niet onderschatten. Door de warmte wordt er wel wat trager gespeeld, maar de beste ploeg van Qatar kan zonder problemen in de Belgische eerste klasse mee. Ze sparen ook kosten noch moeite om het niveau nog omhoog te krikken. Er spelen veel grote namen zoals de broertjes De Boer, Guardiola, Basler, Caniggia, Batistuta en ga zo maar verder. Het enige probleem is dat er weinig continuïteit bij de trainers is. De Qatarse competitie telt tien ploegen. Van de negen andere trainers die een jaar geleden samen met mij aan de competitie zijn begonnen, is er niemand meer op post.”


 


Toch zeg je dat je nog terug wil gaan?


 


“Ze mogen mij vandaag terugvragen en morgen stap ik op het vliegtuig. Absoluut. De mensen hier hebben een volledig vertekend beeld van het voetbal in Azië. De faciliteiten in Qatar zijn ongelooflijk goed. De velden liggen er schitterend bij en de clubs beschikken er over alles wat je bij een Europese topclub kan vinden. Fitnesszalen, sauna’s, relaxbaden, noem maar op. Bovendien is het leven er ook aangenaam. De grootste aanpassing heeft met de gebedstijden te maken. Als de training een half uur bezig is, moet je niet schrikken als de spelers plots tien minuten weg zijn.”


 


Nog geld te goed 


Na je ontslag ben je twee maanden in Qatar blijven hangen, om de ontslagprocedure goed af te kunnen handelen. Is dat gelukt?


“Niet helemaal. Ik wacht nog altijd op een groot deel van mijn geld. Die zaak komt voor de rechtbank in Qatar, en daarna spreekt de FIFA er zich over uit. Dat kan dus nog makkelijk een jaar of twee aanslepen. Maar ik moet mij niet echt zorgen maken. Al-Ittihad heeft alle papieren getekend. Alles staat zwart op wit. Het enige probleem is dat zij geen haast hebben om te betalen, wat de normaalste zaak van de wereld is in die landen. Maar daar heb ik natuurlijk geen boodschap aan.”


 


Hoe ben je in Qatar terecht gekomen?


 


“Voor Qatar was ik bij het Marokkaanse Raja Casablanca aan de slag. De manager van die club kwam met het voorstel aandraven. Ik ben op het vliegtuig gestapt en ben er eerst een week gaan rondneuzen. Alles was van A tot Z geregeld, financieel deed ik een goede zaak, de accomodaties waren goed en er dreigde geen gevaar om de hoek. Er waren ook aanbiedingen van clubs uit Saoedi-Arabië maar daar ben ik niet op ingegaan.”


 


In een oliestaat als Qatar zijn er duizend-en-één mogelijkheden; want de olie zorgt voor rijkdom. Was dat ook bij het Marokkaanse Raja Casablanca het geval?


 


“Je kan Azië en Afrika moeilijk met elkaar vergelijken, maar er zijn wel gelijkenissen. Raja Casablanca is het Real Madrid van Afrika. Ik ben er 14 maanden gebleven, hier komt dat overeen met 5 jaar trainersschap. Raja stond achtste in de competitie en was wat op de dool. Na mijn komst rukten we op naar de derde plaats. Als we de derde laatste wedstrijd tegen onze stadsrivaal gewonnen hadden, maakten we zelfs kans om nog voor de titel mee te spelen. Ondertussen hadden we ons ook voor de Afrikaanse Champions League gekwalificeerd. Dat waren schitterende momenten. Als we in Kongo speelden, waren we tien dagen weg. Dat kan je helemaal niet vergelijken met het voetbal hier. Wij plaatsten ons ook voor de bekerfinale en daar begon de miserie. Zamalek, de winnaar van de Champions League, won met 1-0. Het publiek was razend. In die landen is het normaal dat er dan een slachtoffer valt. In eerste instantie richtte het publiek zich tegen een aantal spelers. Daar hoorden minder leuke bedreigingen bij. Die spelers kregen politiebewaking en moesten zich in hun huis opsluiten. Die situatie hield een week of twee, drie aan. Om de gemoederen te bedaren was er nog iets nodig. Er waren twee keuzes: ofwel de voorzitter de laan uit, ofwel ik. In die landen gaat het dus niet om het feit of je goed bezig bent of niet, maar wel om het tijdstip waarop iets gebeurd. Twintig wedstrijden op rij winnen is goed, maar als je een week later op een slecht moment verliest, is het kot te klein. Dan hakken ze in de selectie, stapt de voorzitter op of sturen ze de trainer wandelen. Daarom is het best van eerst tien jaar ervaring als trainer op te doen in Europa en dan pas op avontuur te gaan. Want je moet een olifantenvel hebben. Elk moment kan het gedaan zijn.”


 


Het Mohammed V stadion biedt plaats aan 100.000 toeschouwers. Hoe zit het bij de kleine Marokkaanse clubs?


 


“Casablanca is een wereldstad. Het stadion liep regelmatig vol. Voor minder belangrijke wedstrijden kwamen 70.000 toeschouwers kijken. Bij de kleine ploegen, in minder grote steden, zie je natuurlijk andere dingen: oude stadions, weinig comfort, enz. Maar de voetbalgekte maakt veel goed. Voetbal is er razend populair. De stadions lopen vol. Drie uur voor de wedstrijd begint het feest al.”


 


Militaire escorte 


Voetbal is heilig in Afrika. Om hun doel te bereiken, durven ze de tegenstanders wel eens te intimideren. Heb je daar last van gehad?


 


“Ja. Wij speelden in Congo-Brazaville tegen Etoile du Congo. Dat was de laatste wedstrijd van de eindronde voor een plaats in de Afrikaanse Champions League. Ons hotel lag op 5 kilometer van de luchthaven. De straten waren volgelopen met mensen, die naar de bus spuwden en ons wild roepend en tierend de huid vol scholden. Na de wedstrijd liepen er 20 soldaten voor onze bus uit, nog eens 20 militairen liepen achter de bus aan, als escorte. Dat zijn natuurlijk speciale belevenissen. Op dat moment zelf voel je je niet op je gemak. Nu relativeer ik dat allemaal en besef ik dat zoiets bij de voetbalbeleving in Afrika hoort. Die mensen hebben niet veel en gaan helemaal op in het voetbal. Zo lang er geen fysiek geweld aan te pas komt, kan ik daar wel mee leven. De club probeerde ons toen ook uit onze concentratie te halen. Ze plaatsten op het midden van de grasmat een grasmaaier. Een klein stukje van het veld was afgereden. De rest van het gras was 20-30 centimeter hoog. Daar waren zij dus al dagen of weken mee bezig. Een ander verhaal was onze terugkeer van een match in Egypte, die we verloren hadden. Op de luchthaven stonden 3 à 4000 mensen ons op te wachten. Dat waren geen supporters, maar op het eerste zicht criminelen. Wij maakten ons zo snel mogelijk uit de voeten. Dat zijn dingen die er blijkbaar bij horen in Afrika. Aan een wedstrijd in Abidjan kleeft ook een mooi verhaal. Net als nu waren er hevige onlusten in Ivoorkust. Het was lange tijd onzeker of de match wel gespeeld kon worden. Koning Hassan stelde een militair vliegtuig ter beschikking en daar gingen we de lucht in, met oordoppen in onze oren. In die zin moet ik lachen als ik een speler in België hoor klagen over de voorbereiding. Maar als je dat nooit hebt meegemaakt, weet je dat natuurlijk niet. Voor mij was het ook een heel avontuur.”


 


Moet je in die situaties niet enorm veel door de vingers zien?


 


“Absoluut. In België kan je een boete geven als een speler een minuut te laat op training aankomt. Dat kan in Afrika en Azië dus niet. Je mag hemel en aarde proberen te bewegen, het lukt je niet. Je moet erg flexibel zijn en altijd alles pas een kwartier of een half uur vooraf plannen. Er zijn wel altijd twee, drie spelers te laat. Bij Raja kon ik ook zelden een boete geven. De spelers onderhouden hun familie. Als je hen dat afpakt, vererger je de situatie juist. Desondanks raad ik elke trainer aan om op een aanbod uit die landen in te gaan. Het is zo verrijkend, zowel beroepsmatig als persoonlijk. Je komt in een totaal andere wereld en in een puur resultaatklimaat terecht. Het gaat niet om een slechte reeks, maar om een momentopname. Je moet elke wedstrijd winnen of je maakt kans om buiten te liggen. Wij lopen in België met een aantal denkbeelden over het voetbal in Afrika of Qatar rond, maar dat beeld klopt dus totaal niet. Een trainer die in België zegt dat hij onder druk staat, moet maar eens de wereld intrekken. Daar sta je niet elke week maar elke minuut in vraag. Je leert er van dag tot dag te leven. Een mooi voorbeeld hiervan was de voorbereiding bij Raja Casablanca. Ik wou tijdens een tornooi in Libië mijn hele kern laten spelen, om zo te zien welk vlees ik in de kuip had. We speelden tegen WAC Casablanca de grote aartsvijand. Maar ik was daar niet echt mee bezig. Dus ik stelde doodleuk 6 spelers op die normaal op de bank zaten. De club stond in rep en roer. Pas op dat moment besefte ik van, oei ik speel hier met vuur. Wij speelden gelijk. Wat een geluk! Die wedstrijd kwam live op de televisie in Marokko. Voor hetzelfde geld lag ik toen al buiten. Zo een risico zou ik dus nooit meer nemen (lacht). Eind goed, al goed, we wonnen dat tornooi.”


   “Er hoort nog een mooi verhaal bij dat tornooi. In onze ploeg zat een speler die goed bevriend was met de zoon van Kadhafi. Hij wou die speler absoluut hebben. Onze vlucht werd afgezegd. In de plaats vlogen we met een privé-toestel van Kadhafi terug naar Casablanca. Het vliegtuig wachtte vier uren en vloog daarna met onze speler terug naar Libië. Dat is ook geen rariteit. Spelers hebben een contract van drie, vier maanden. In Afrika en Azië is het normaal dat ze een speler voor drie belangrijke wedstrijden overnemen. Onze kapitein was zo voor twee wedstrijden weg, en keerde daarna terug. Je moet dus echt van dag tot dag kunnen leven. In België staat een trainer onder druk als het niet botert en als de resultaten uitblijven. Bij Raja Casablanca en Al Ittihad zijn goede resultaten zelfs van geen tel. Maar dat wil niet zeggen dat ik in België die dingen door de vingers zou zien. Helemaal niet. Het Belgisch voetbal is een fysiek sterke competitie en daar hoort een goede discipline bij.”


 


“De sjeik wou constant weten wat ik deed” 


De sjeik van Al-Ittihad heeft geld zat. Wat voor een relatie had je met die man?


 


“In een land als Qatar verzetten de buitenlanders het werk. Dat zijn dan vooral Indiërs, Bangla Deshi, Filippijnen of Afrikanen. De meerderheid van de eigen bevolking is niet gewend van zware arbeid te verrichten. Eigenlijk zitten ze de hele dag koffie te drinken en te discussiëren. Dat is bij de voetbalclubs niet anders. Een trainer in België kiest zijn koers en volgt die. Daar horen natuurlijk vergaderingen met de technisch directeur of het bestuur bij. Maar dat is niet constant het geval. In Azië en ook in Afrika is dat wel het geval. De sjeik is eigenaar van de club en zijn pionnen volgen alles op de voet. Bij Al-Ittihad zaten altijd acht bestuursleden langs de lijn, zij volgden alles van de eerste tot de laatste minuut. Zij noteerden alles wat er gebeurde en na de training moest ik dan uitleg geven waarom ik dit of dat gedaan had. Op de bank deed hetzelfde fenomeen zich voor. De technisch verantwoordelijke en de clubmanager namen altijd plaats op de bank. Als ik een bankzitter het teken gaf om zich op te warmen, rinkelde de telefoon twee seconden later. De sjeik vroeg dan aan de manager wat ik van plan was en wie ik er af zou halen.”


 


Hield je daar rekening mee?


 


“Neen, want dan ben je voor jezelf niet goed bezig, en dan houdt het liedje op een dag ook op. Als trainer moet je je job uitoefenen, en de sterkst mogelijke ploeg op de been brengen. De sjeiks hebben niets liever dan dat hun favoriete spelers erbij waren. Maar dat kan je als trainer niet maken. Je moet er wel heel diplomatisch mee omgaan. Je kan tegen de sjeik en de manager moeilijk zeggen dat hij naar de maan mag lopen. Met diplomatisch bedoel ik dat je elke beslissing of elke stap in het lang en het breed moet uitleggen. Maar als de gemaakte keuzes verkeerd uitdraaien, is de trainer het natuurlijk geweest. Daarom is het een momentencultuur. Ndiefi, mijn spits bij Al Ittihad, had al drie matchen niet gescoord en ook in de oefenwedstrijden kreeg hij geen bal tegen de netten. Voor de vierde match tegen Qatar Sports zette ik Ndiefi op de bank. Vijf tellen later was het grote paniek. De clubmanager probeerde mij te overhalen met: ‘the committee has talked with Ndiefi and he promised to play good’ (lacht). Ik bleef bij mijn beslissing en vertelde ze dat ik Ndiefi na de rust zou inbrengen en dat hij zou scoren. Toen heb ik chance gehad. Het stond 0-0 bij de rust. Ik bracht Ndiefi in en hij maakte toch zeker een goal en hij leverde nog een assist af. Op dat moment was ik natuurlijk de held voor de sjeik en zijn gevolg, maar als die bal van Ndiefi tegen de de lat ging, lag ik buiten.”


 


In België was er in de heenronde veel te doen over Philippe Collin, de neef van voorzitter Roger Vanden Stock, die een oogje in het zeil moest houden op de trainingen bij Anderlecht. Zou jij zoiets in België dulden?


 


“Dat verhaal bij Anderlecht is helemaal uitvergroot. Ik denk dat Collin een keer of drie naar de training is komen kijken. Zo een verhaal verkoopt nu eenmaal goed in de kranten en op TV. Ofwel klagen de mensen dat de bestuurders nooit op de training te zien zijn, en dus geen interesse in hun ploeg tonen. Ofwel komen ze te veel kijken. Ik zou mij er alvast niet druk om maken. Ik volg de weg die ik voor ogen heb.”


 


Het is iets meer dan een jaar geleden dat je bij Al Ittihad aan de kant werd gezet. Jeuken je vingers?


 


“De eerste maanden waren best aangenaam. Ik had tijd voor mijn familie en mijn kleinkinderen, en ik legde meer dan 5.500 kilometer op de fiets af. Maar na enkele maanden begonnen mijn vingers te jeuken. Dit is de eerste keer in 17 jaar trainersschap dat ik geen ploeg bij de start van de competitie heb. Doordat ik voor VTM analyses doe, leeft die honger naar het voetbal nog meer. Ik zit er middenin.”


 


Je naam viel bij Bergen, maar het werd Jos Daerden. Tijdens de winterstop was je ook in de running bij het Portugese Beira-Mar. Je naam dook eveneens op bij je ex-club KV Mechelen.


 


“Ik heb veel contacten gehad, vooral in het buitenland, maar er kwam niets concreets uit de bus. Bergen vroeg om een keer aan tafel te zitten. Uit respect ben ik daarop ingegaan. Maar Bergen is een van de weinige ploegen in België die ik niet grondig ken, en gevoelsmatig zat het ook niet goed. Die club trok mij niet aan. En als je voor Bergen gaat werken weet je dat het een ‘struggle for life’ wordt, van de eerste tot de laatste dag. Veel mensen denken dat ik niet meer in België wil werken, maar dat is dus niet het geval. Of ik mezelf niet buitenspel gezet heb door voor een avontuur in Afrika en Azië te kiezen? Daar denk ik soms ook aan, ja. Daarom ben ik met Bergen gaan praten, dan weten de clubs dat ik even graag hier wil werken. Dat kan ook als technisch directeur, waarom niet. Ik vind het een positieve evolutie dat een aantal clubs meer voetbalkennis in huis halen.”


 


Ergeren aan de besluiteloosheid 


2004 was voor het Belgisch voetbal niet echt om over naar huis te schrijven. Vorig seizoen waren er wel nog lichtpunten. Is het niveau dan zo snel gedaald?


 


“Ik was drie jaar weg uit onze competitie. Vanaf maart ben ik mij terug meer gaan toeleggen op het Belgisch voetbal. Ik kon alleen maar vaststellen dat het niveau flink gezakt is. Dat het nu helemaal de slechte kant opgaat, heeft te maken met het feit dat de clubs nog spitsen in huis hadden, die de schijn konden ophouden. Aruna Dindane was vorig seizoen in vorm en maakte het verschil. Nu hij minder draait, zie je dat Anderlecht te kort komt in Europa. Het belang van een spits merk je ook bij Moeskroen of Lierse. Pieroni is weg bij Moeskroen en waar staat die ploeg nu? Lierse liet twee seizoenen geleden Koné en Huysegems gaan en het was ook gedaan. Veel ploegen leven bij de gratie van de efficiëntie van hun spitsen. Club Brugge speelde vorig seizoen ook goed, ze wonnen van AC Milan en Ajax, maar ze hadden geen echte killer vooraan. Met Balaban hebben ze die nu wel. Hij en niemand anders maakt het verschil.”


 


Als het slecht gaat, roepen de topclubs om ter hardst dat er veranderingen moeten komen. Een BeNeLiga, een competitie met play-offs, minder ploegen, noem maar op. Ligt daar het probleem?


 


“Er moet iets gebeuren, dat is duidelijk, maar ik denk niet dat de Nederlandse clubs echt op ons zitten te wachten. Een systeem met play-offs valt te overwegen. Of er iets van zal komen, is nog iets anders. Je zit met twee blokken: de topclubs tegen de kleintjes. Ik vind het altijd bizar als ik clubleiders hoor zeggen dat ze beter voetbal willen brengen, met meer spektakel en meer jeugdspelers. Maar eens ze samen zitten om over het algemeen belang te praten, denkt iedereen weer aan zijn eigen belang. Ik stoor mij ook enorm aan de besluiteloosheid in het Belgisch voetbal. Als een speler uitgesloten wordt of als er een probleem is, duurt het weken voordat de straf bekend is. Dat was bij Cissé van Antwerp en bij Emile Mpenza vorig jaar het geval, en nu waren er Kaklamanos en Cruz. In Nederland hakken ze een week later de knoop door. Bij ons sleept het weken of maanden aan en dat is bijzonder slecht voor het imago van onze competitie. Veel sponsors en supporters haken daarop af. Zes jaar geleden heb ik al aangedrongen op de verbetering van de structuur, op de nood aan kortere lijnen. Er is echter bitter weinig vooruitgang geboekt.”


 


Wij hebben een stap terug moeten zetten in Europa. Ook de Rode Duivels moeten een toontje lager zingen. Hoe kunnen we dat gat dichtfietsen? Of is het daarvoor te laat?


 


“De toevloed van buitenlandse spelers moet dringend ingedamd worden. Er zijn speeldagen dat 70 procent van de spelers buitenlanders zijn. Dan scheelt er iets. Wij snijden in onze basis en daardoor blijven we verder wegzakken. Er is maar één oplossing om de malaise te lijf te gaan: investeren in de opleiding van onze jeugd en onze spelers ook echt laten doorstromen naar het eerste elftal. Veel Belgische clubs kiezen nu voor een buitenlander omdat deze fiscaal gezien interessanter zijn. Dus moeten we Nederland achterna, de minimumlonen voor buitenlandse spelers moeten flink de hoogte in. Zo verplicht je de clubs van het roer om te gooien. Ik vind ook dat een aantal van onze spelers eens goed moeten nadenken voor ze naar het buitenland trekken. Meer geld verdienen is mooi, maar op de bank verzeild geraken is veel erger. Een speler die zich al bewezen heeft, kan zo een mindere periode opvangen. Voor een jongere luidt dit dikwijls het einde van zijn carrière op het hoogste niveau in.”


 


Dat is iets wat je bij de start van elk seizoen hoort: ‘Wij gaan met meer jongeren spelen.’ Ligt die verantwoordelijkheid niet in handen van de bond?


 


“Absoluut. Zij moeten het heft in handen nemen en de clubs en de politiek bij elkaar zetten. Maar daar nijpt het schoentje. De bond zijn de clubs, en uiteindelijk denkt iedereen in die commissies toch vooral aan zichzelf.”


 


Je bent zelf even bondscoach geweest. Zou jij Emile Mpenza teruggehaald hebben?


 


“Ja! Een goede Emile Mpenza betekent een surplus voor de Rode Duivels. En daar gaat het uiteindelijk om. Als trainer wil je de beste ploeg opstellen. Ik snap alleen niet waarom ze er zo een polemiek over laten maken hebben. Het gaat toch om grote mensen. Zelfs nu nog proberen de verschillende partijen een mistsluier te vormen over wie met wie gaan praten is. Dat is toch belachelijk. Speel kort op de bal. Is er een probleem? Ga meteen aan tafel zitten, praat het uit en zorg dat de hetze en de vragen niet eindeloos blijven aanslepen.”


 


Voor de Rode Duivels zijn er twee mogelijkheden: een nieuwe ploeg bouwen of doorgaan en hopen dat Dame Fortuna aan onze zijde staat.


 


“De kans is klein dat wij naar Duitsland kunnen gaan, maar de kans bestaat nog. Ik zou de wedstrijd tegen Bosnië-Herzegovina nog afwachten. Als we die winnen en San Marino de baas kunnen blijven, dan valt de beslissing in Belgrado tegen Servië-Montenegro. Het lijkt mij raar dat al die spelers dan nog uit vorm zijn. Een aantal spelers lopen tegen die tijd ook in een ander clubshirt rond en spelen dan wel elke week. Vergeet ook niet dat er nog zeven wedstrijden te spelen zijn. Ik zou elke strohalm vastpakken. De nationale ploeg is het uithangbord van het Belgisch voetbal. Als wij na het EK 2004 ook nog het WK 2006 missen, gaat de crisis nog erger zijn.”


 


Dit is misschien cru gezegd, maar zou dat niet eens goed zijn? Zouden er dan geen ogen opengaan?


“In het bondsgebouw zullen ze nu toch wel al gemerkt hebben, dat het tijd is voor actie. Alle verontschuldigingen van spelers die uit vorm zijn of niet aan spelen toekomen zijn terecht. Maar dat wil niet zeggen dat er niets moet gebeuren. Er moeten kortere lijnen komen, het moet krachtdadiger worden. Het is hoog tijd om kort op de bal te spelen.”


 


* * *  * *  * * * 


Een harde jongen op het veld


Walter Meeuws speelde bij VC Gierle en Racing Mechelen als aanvaller. Via Beerschot kwam de Gierlenaar bij Club Brugge terecht, waar hij zijn roeping vond: libero spelen. Deze ommezwaai leverde hem 46 caps bij de nationale ploeg op. Meeuws regisseerde zijn verdedigers en nam de leiding achteraan op zijn hoede. Hij was niet de meest verfijnde voetballer, zijn lef en ambitie maakten echter veel goed. Bij Standard Luik stootte hij door tot de finale van de Beker der Bekerwinnaars in 1982. Standard verloor met 2-1 van FC Barcelona in Nou Camp. Meeuws liet niet met zijn voeten rammelen. In de 85ste minuut probeerde Carrasco tijd te winnen aan de cornervlag, met de bal op zijn rechtervoet. Meeuws kreeg het op zijn heupen, sprintte het halve veld over, ging naast zijn ploegmaat staan en schopte Carrasco doormidden. Een poging om de bal te raken was er niet bij. Meeuws zat al in de kleedkamer voordat de scheidsrechter naar zijn borstzak had kunnen grijpen om de kleur van de kaart te kiezen. Heel de voetbalwereld wist wie deze schoolmeester was, en dat er niet met zijn voeten gerammeld moest worden. Na het omkoopschandaal moest Meeuws de Vurige Stede verlaten. Hij werd de eerste Belg bij Ajax. Het sluitstuk van zijn spelerscarrière viel bij KV Mechelen, Achter de Kazerne.

Categorieën
Specials & Video

Antwoord

*

*

GERELATEERD